Bart Lardé
(Wrote this himself and delivered it in person with his lovely wife Paulien. Also gave me a couple of pictures and a booklet of Velsen – and two great presents -… we’ve had a wonderful time !!!)
I started in 1960 as an apprentice with “The Earthenware Factory” as called by everyone in that time. – in the 50’s a cousin worked at the factory as a painter (Bart Stigter), so I knew there was a earthenware factory in Sassenheim -. In the beginning I always took the bus from Leiden to Sassenheim (nr. 50 N.Z.H.), together with other employees from Leiden (Nico Turenhout – painter – and Jan Pracht – pourer -).
To learn the trade, you had to get handy with a pencil and a line-brush. I never saw it as an art form, but to an outsider it probably is….
Trying your best for weeks on broken pieces of pottery and ripped plates. Simple flower motives drawn with a pencil, you were allowed to do over again in paint.
The line-brush was called a puller (you pulled it over the earthenware to make a single line) and it was the most important brush for painters, which was hand carved by the manager of the painters (Mr. Van Leeuwen).
It took a lot of time getting the right colour Blue by using different amounts of water.
Especially the “hitting of leafs” (painting the green leafs) took a great deal of practicing.
In most cases you could identify the painter by the decorations of leafs.
I liked the job very much, because of the amount of different models. The bigger and mostly heavier work often went to the more experienced painters. Some vases were so large, you had to stand at the desk to paint them.
Even in those days – the early 60’s – a battle was going on between smokers and non-smokers in the painting hall.
The smokers used to smoke at their desks (there was no term for “a smoke free workspace”). The non-smokers didn’t want to be bothered by the smell and smoke and opened small glass window strips in the doors….but the smokers would close them as soon as they were opened, because they felt a cold draft in their necks !! And so everyone smoked together…..
The work staff was a mix of old and young.
When you started to work there, you either worked there for very long or you were gone in no-time…. Some of the painters changed work places after a while within the factory (went to storage, pouring or glazing – had enough of the work itself). A great deal was painted at the factory – not only Delft Blue, but also Red, Green and Polychrome.
The factory also had a work shop in Gouda, where they also painted the earthenware. The pottery items were brought to the work shop with a small van of the factory and then also returned to the factory.
A lot of the polychrome earthenware went to Belgium, to an importing client (Willems).
The driver of the company van (Ben van Winsen) made quite a lot of miles….
After I took a time out of a couple of years (late 60’s), I returned to the factory. That’s when I met my wife (Pauline Kokshoorn) who also was a painter at the factory.
We have worked together for a couple of years.
The wages at the earthenware factories were – against other professions – very low. The work hours were long (daily from 08.00 until 17.30 – and a half hour lunch break). This profession holds the title for having the longest six-day work week (Saturdays from 07.00 until 12.30).
The union told us the number of employees was to small to make a fist in negotiations.
The biggest part of our labour force worked at the work shop in Gouda and there were lots of large and smaller earthenware companies there.
( To get more income I left (around 1976) and became a house painter – what I was trained for at school).
Bart Lardé
(Zelf geschreven en bij ons afgegeven samen met zijn vrouw Paulien !! – samen met twee presentjes, een lading foto’s en een boekje over Velsen....wij vonden het heel erg gezellig !!)
In 1960 ben ik begonnen als leerling schilder bij “De Aardewerk Fabriek” zoals het altijd genoemd werd door iedereen in die tijd. – In de jaren ’50 heeft er een neef van mij gewerkt als schilder (Bart Stigter), waardoor ik wist dat er een aardewerk fabriek was in Sassenheim-.
De eerste tijd ging ik met de bus van Leiden naar Sassenheim (lijn 50 N.Z.H.), samen met andere werknemers uit Leiden ( Nico Turenhout – schilder – en Jan Pracht – gieter -)
Om het vak onder de knie te krijgen moest je potlood en penseelvaardigheid leren.
Ik heb het nooit gezien als een kunstvorm, wat voor een buitenstaander misschien wel zo is. Weken lang oefenen op kapotte stukken aardewerk en gescheurde borden.
Eenvoudige bloemmotieven met potlood die je – als het lukte – met verf mocht overtrekken.
Dit penseel heet dan ook heel toepasselijk een “trekker” en was ook het belangrijkste penseel, welke door de chef van de schilders (dhr. Van Leeuwen) werd gesneden.
Het kostte veel tijd om de verschillende tinten blauw aan te brengen door middel van al dan niet toevoegen van water aan de verf.
Het zogenaamde “blaadjes slaan” (aanbrengen van de blaadjes) werd veel geoefend.
Je kon de schilder vaak herkennen aan de manier waarop hij/zij de decors voorzag van zijn /haar blaadjes.
Ik vond het vooral leuk werk, omdat er heel veel verschillende modellen waren. Het grote en zware werk ging vaak naar de schilders met de meeste ervaring.
Er waren vazen bij, waar je bij moest staan om te kunnen schilderen.
Toen al – begin jaren ’60 – werd er een strijd gevoerd over het roken op de schilderszaal.
De rokers rookten op hun werkplek (de term “rookvrije werkplek” was nog niet uitgevonden..). De niet-rokers wilden natuurlijk de rooklucht verdrijven en openden schuif-ruitjes in de deuren….maar de rokers deden die dan weer dicht, omdat ze het vonden tochten in hun nek !! En zo rookte iedereen gezellig mee……..
Het schilderspersoneel bestond uit een mix van jong en oud.
Als je daar kwam werken, dan bleef je ook voor heel lang of je was al snel weer weg. Een aantal van de schilders gingen na verloop van tijd elders in de fabriek werken (magazijn, gieterij of glazuren – even uitgekeken op het schilderen).
Er werd heel wat werk geschilderd – niet alleen in Blauw, maar ook in Rood/Groen of Polychroom.
In Gouda was er een atelier, waar ook geschilderd werd. Het werk werd dan gebracht en gehaald met een busje van de zaak.
Veel polychroom aardewerk ging naar België, waar een grote klant (Willems), het importeerde. De chauffeur (Ben van Winsen) heeft daarvoor heel wat kilometers gemaakt.
Nadat ik (eind jaren ’60) een aantal jaren ben weggeweest, keerde ik toch weer terug. Toen heb ik ook mijn vrouw (Pauline Kokshoorn) leren kennen, die daar ook als schilderes werkzaam was.
We hebben gezamenlijk nog een aantal jaren daar gewerkt.
De lonen in de aardewerk fabrieken zijn – in verhouding tot andere beroepen – altijd laag geweest. De werkweken waren lang (dagelijks van 08.00 tot 17.30 uur, met een half uur pauze). Wij waren een bedrijfstak die het langst op zaterdag hebben gewerkt (van 07.00 tot 12.30 uur). De vakbond zei altijd dat de groep werknemers te klein was om een vuist te maken in de onderhandelingen. De grootste groep arbeiders werkte hoofdzakelijk in Gouda en daar waren ook een aantal grote en veel kleine bedrijven te vinden.
(Om meer inkomsten te genereren, ben ik (ongeveer in 1976) aan de slag gegaan als huisschilder – waar ik ook via de L.T.S. voor was opgeleid -).
*********************************************************
Joop van der Luit
(Received this in an Email from him !!!)
I started in 1950 at the age of twelve (through my neighbour) and worked at the factory on the Wednesday afternoons and the Saturday mornings.
The chief painters were Joop Slinger and Roel van der Heuvel.
When I left school I worked full time in the production process. On a Sunday in 1953 we had a huge fire at the factory and we moved temporarily to a café at the Warmonderdam (Café Juffermans), where the chief painter was seated at the bar….that was something to remember. In 1957 I had to do my military duties and returned at the Velsen pottery in 1959. From 1960 to 1962 I worked at the pottery factory of “De Drie Klokken” (The Three Bells) of Koen Jansen.
I did a lot of Gouda painting at home for a Gouda company. After this I started for myself in Hillegom as “De Pottenbacker” (The Potter) and also sold some earthenware by Velsen in my shop. During this time I used to paint for the velsen pottery too (as a painter you had some extra jobs in those days). I have worked with pleasure for the Velsen pottery.
At this moment I’m busy with creating an exposition of some of my painterswork with the theme of farmhouses. (Info will follow…)
J. van der Luit.
Joop van der Luit
(Ontvangen per Email van hemzelf !!!)
Ik ben in 1950 op twaalfjarige leeftijd begonnen (via mijn buurman) en werkte op de fabriek op de woensdagmiddagen en op de zaterdagmorgen.
Mijn chefs in de schilderszaal (boven) waren Joop Slinger en Roel van der Heuvel.
Toen ik van school kwam deed ik al volledig met de productie mee.
Op een zondag in 1953 hebben we een grote brand gehad en werden we tijdelijk verplaatst naar Café Juffermans aan de Warmonderdam, alwaar de chef zijn bureau had aan de bar…..dat had wel iets moet ik zeggen.
In 1957 ging ik in militaire dienst en kwam weer terug bij Velsen in 1959.
Van 1960 tot 1962 heb ik gewerkt bij aardewerkfabriek “De Drie Klokken” van Koen Jansen.
Ik heb thuis veel schilderwerk verricht voor een Gouds bedrijf.
Hierna ben ik voor mijzelf begonnen in Hillegom als “De Pottenbacker” en heb ook Velsen aardewerk verkocht in mijn winkel.
In de tussentijd heb ik ook vaak geschilderd voor Velsen (je had als schilder aardig wat bijbaantjes).
Ik heb bij Velsen met veel plezier gewerkt.
Op dit moment ben ik bezig met het opzetten van een expositie van mijn schilderwerk met het thema boerderijen.
(Informatie volgt….)
J. van der Luit.
*********************************************************